Laat me hier
neergeschreven:
Hoe ik prijk in ‘t
azuren licht,
Met sneeuwval mild
verweven
Op des winters
aangezicht,
Word ik door de ranke
hand
Getekend in
decembermeel
Tot boomen en blommen
geplant
Naar dit
najaarstafereel.
Laat me hier
neergeschreven:
Hoe ik prijk in ‘t
azuren licht,
Met sneeuwval mild
verweven
Op des winters
aangezicht,
Word ik door de ranke
hand
Getekend in
decembermeel
Tot boomen en blommen
geplant
Naar dit
najaarstafereel.
In ‘n veldboeketje zag
ik jouw aanschijn,
Hoe volmaakt geef jij
het evenbeeld weer
Van rozen, viooltjes en
één plantenveer:
Een deugd ben jij hier
in dit beeldfestijn!
Viooltjes spelen om
beide jouw wangen
En ‘n rozenknop vult ’t
kuiltje van je kin,
Zo dat ik niet alleen
de mooiigheid min
Van ‘t landschoon dat
in jou is gevangen.
Doch, ‘k vrees wanneer
de blauwe lucht
Zijn weide met kwade wolken
bevrucht,
Dat de teelt met onweer
wordt besmet.
O, God verhoede dat
geen jouw aanschijn
Schoffeert met droppels
van ‘n kil venijn
Of verkaalt tot een decemberboeket.
Viel je bij mij steeds
in het gemis
En ontbeerde ik wat ik
het liefste had
Dan was geen herfstregen
mij te nat
En werd ik overstelpt
door droefenis.
Doch ‘t hart heeft voor
de ander gekozen
En wat nu blijkt is dat
je nederlaag
Tot bloei komt als
doornen op een haag
Die niets verliest,
behalve zijn rozen.
Doch hoeveel
rozenblaadjes ik ook tel
Van geen geslachte
schoonte word ik onwel,
Niets doet mij of mijn
keuze teniet.
Je hebt me jouw smetten
toegekend
En dat toont aan wie je
thans bent:
Een geschandvlekte muze
zonder stem noch lied.
Getroffen door een hoog’re macht
Zit ik hier op de grond geknield,
Ofschoon mijn geest is ontkracht
En mijn lijf wreed is ontzield
Sterf ik niet de heldendood,
Doch trek ik adem uit het leven,
Dat eenied’re wanhoop verstoot
Van wat mij nog is gegeven.
![]() |
| Foto: Stephanie Van de Velde |
Met
onvermogen behoed ik mijn pen,
Alvorens
ze jou terug ten tonele richt
En
de rol in het schouwspel belicht,
Van
de speler die ik geworden ben.
Het
is niet dat je gegadigden besteelt
Of
hun gelaat van masker onthult;
Jij
drijft noch berouw, noch in schuld
Voor
de vertoning die jou is toebedeeld.
Maar
eenieder wordt eens te buit gelegd
En
de eenzame prijs van stilte ontzegd,
Ieder
roept een keer haar strofen tot eer.
Toch
ben jij, hetzij in Grieks gewaad
Of
als doorn die Romeinse koppen schaadt,
De
regel, de rol die ik eerst reciteer.
Beticht mij eens en nog
heb ik jou lief.
Zeg hen dat ik jouw
schoonheid stal
Om mijn vers te
spijzen, maar bovenal
Om ieder te vertellen:
Zij is de dief.
Zij stal van zomer zijn
zwoele pracht
En ze heeft zich een
gewaad aangemeten
Dat nieuw is in staat
en onversleten
Weerzaam is als de
winter haar wacht.
Zo ook is haar lijfje
van zeldzame natuur,
Rank en bestand tegen
het rovende uur
En uitmuntend bewaard
als gestolen goed.
Terwijl ik je
schoonheid, je prille leven
Slechts gebruik om mijn
vers klank te geven,
Maakt mij geen dief, daar ik jou nu vergoed.